Alles over Alblasserdam...

Column

Hier vind je de column van Hennie van der Zouw. Wil je reageren op een van de columns? Stuur hem dan een berichtje op hennie@avant.nl. Of bel hem op kantoor waar hij als vrijwilliger werkzaam is: Tel. nr. 088 - 65 40 402.

Over de columnist:

Hennie van der Zouw, oud leerkracht uit het basisonderwijs is geboren in Bolnes in de gemeente Ridderkerk en sinds 1995 is hij inwoner van Alblasserdam. Hennie is getrouwd en vader van een zoon. Hij is geinteresseerd in computers, I.C.T., stripverhalen, sport en geschiedenis.

Hennie heeft in de laatste vijftien jaar een aantal artikelen gepubliceerd in het Stripschrift, een blad met achtergrondverhalen over strips en het beeldverhaal in het algemeen.

Hennie is ook de webmaster van de websites van H.V. Anderz.

Hennie heeft inmiddels, onder pseudoniem een aantal sportboeken gemaakt en in eigen beheer gepubliceerd bij Brave New Books. De boeken over voetbal en schaatsen weerspiegelen Hennie;'s interesse in sport, en er zijn onder zijn eigen naam inmiddels ook twee bundels van zijn hier op www.alblasserdam.net gepubliceerde columns verschenen.

In december 2016, zo rond Sinterklaas is de tweede bundel van deze columns verschenen. Columns, altijd verankert in de geschiedenis, die proberen om Alblasserdam in het grotere verband van de wereldgeschiedenis en de tijd te laten zien......

Column:

Cornelis van Eesteren - Deel 3: De uitbreiding van Amsterdam door een Alblasserdammer (zondag 17 november 2013)

Afbeelding bij Column: Cornelis van Eesteren - Deel 3: De uitbreiding van Amsterdam door een Alblasserdammer
 
 
Toen Theo van Doesburg hoorde dat Cornelis van Eesterens Prix de Rome-toelage niet verlengd werd, drong hij er onmiddellijk op aan nu toch echt samen te gaan beginnen met de voorbereidingen voor de Stijl-tentoonstelling in Parijs. 'Als er nu niet mede begonnen wordt is het te laat. [...] Laten wij dus aanpakken', schreef hij aan Cornelis van Eesteren. 
 
Eerst bezocht Cornelis van Eesteren zijn vriendin Fritz in Zürich en ging met haar op vakantie in Lugano, om omstreeks 23 april 1923 aan te komen in Parijs. Hij nam zijn intrek bij een mevrouw Richen en meldde zich op 9 mei aan bij de vreemdelingenpolitie. Pas een maand later ontmoette hij Theo van Doesburg, die Cornelis van Eesterens eindaxamenontwerp — de universiteit in Plan Zuid — ophing in zijn atelier. Deze bevielen hem zo goed, schreef Theo van Doesburg op 24 juni 1923 aan zijn vriend Evert Rinsema, dat hij besloot ze in kleur op te lossen en ze op te nemen in de tentoonstelling.
 
“Alleen”, zo schreef Van Doesburg in dezelfde brief, 'Jammer dat hij nog wat jong en daarom "speelsch" is. Hij werkt niet geconcentreerd genoeg. Ik moet hem steeds aansporen'. In werkelijkheid was Cornelis van Eesteren, die op kosten van zijn vader in Frankrijk verbleef, druk bezig met het vinden van werk en het bestuderen van de wederopbouw van tijdens de Eerste Wereldoorlog verwoeste Noord-Franse steden als Laon. Hij hoopte betrokken de raken in de wederopbouw, maar toen dit niet lukte stortte hij zich volledig op de Stijl-tentoonstelling. Hij verving het achthoekige daklicht van zijn universiteitshal door een horizontaal, glazen plafond, waarna Theo van Doesburg deze in kleur oploste. Ook maakte Theo van Doesburg het kleurontwerp voor het huis Van Zessen, dat Van Eesteren naar Alblasserdam opstuurde en dat in november werd uitgevoerd. 
 
Het huis Rosenberg, dat voor de tentoonstelling werd omgedoopt tot Hôtel Particulier, werd, mogelijk op aanwijzing van Theo van Doesburg, aan de hand van eerder door Cornelis van Eesteren gemaakte schetsen uitgewerkt. Omdat Theo van Doesburg bang was dat de Fransen moeilijkheden hadden met het lezen van de tekeningen, werden er lichtdrukken van gemaakt, die op 10 augustus naar Rietveld gestuurd werden, om er een model van te maken. Deze stuurde hij in stukken naar Parijs, om door Theo van Doesburg en Cornelis van Eesteren in elkaar gezet te worden.
 
Door tijdgebrek kon Theo van Doesburg het model echter niet van kleur voorzien. Bij de andere twee modellen, het Maison Particulière (woonhuis) en het Maison d'Artiste (atelierwoning) lukte dit gelukkig wel. Het model van Maison Particulière bouwden ze zelf; het model van Maison d'Artiste lieten ze door een loodgieter vervaardigen. Het laatste model werd in de laatste week voor de tentoonstelling nog door Theo van Doesburg van kleur voorzien.
 
*Cornelis van Eesteren (links) en Theo van Doesburg met de maquette van het Maison Particulière in het atelier van Van Doesburg in Parijs, 1923. Aan de muur op de achtergrond is het ontwerp voor een universiteitshal te zien.
 
Via Theo van Doesburg en zijn vriendin Nelly kwam Cornelis van Eesteren in Parijs in contact met Architecture Vivante-redacteur Jean Badovici en architect Le Corbusier.
 
Theo van Doesburg vertrok vrij snel na de opening van deze tentoonstelling — in ieder geval voor 14 november — naar Weimar en liet de propaganda van de tentoonstelling en communicatie met de pers over aan Cornelis van Eesteren. Deze liet foto's maken van de maquettes en tekeningen en gaf een deel hiervan mee aan Nelly, die Theo van Doesburg achterna reisde. Theo van Doesburg was echter ontevreden over de kwaliteit. Op 23 november schreef hij: 'Jammer dat de foto's voor het meerendeel onbruikbaar zijn. Van de modellen zijn alle slecht, behalve die in vogelvlucht gezien en Huis Rosenberg. [...] De 5 groote foto's van de modellen kunnen we dus niet gebruiken; geef ze dus vooral niet voor reproductie. De fout hiervan is dat het model, niet het huis gefotografeerd werd. [...] De belichting met reflector is te scherp, waardoor alle kleine gebreken van het model gefotografeerd zijn. Jammer van het weggesmeten geld. Kun je het die vent niet over laten doen. We behoeven ze toch niet te accepteeren als ze slecht zijn! Wie gaat nu een model op het voetstuk fotografeeren! Blöd!! Ik meende, dat ik het aan jou kon overlaten, daar jouw opnamen goed waren en veel geschikter voor clichée'……….
 
Cornelis van Eesteren stelde ondertussen van 1 november tot en met 16 december elders in Parijs zijn eerdere Prix de Rome-ontwerp tentoon in de prestigieuze Salon d'Automne. In tegenstelling tot de Rosenbergontwerpen mocht dit ontwerp wel rekenen op de nodige persaandacht. Cornelis van Eesteren deed echter zijn best ook de ontwerpen, die hij met Theo van Doesburg gemaakt had, onder de aandacht te brengen. En met enig succes; zowel C. de Cordis van het tijdschrift La Revue Moderne als Bernard Evène van La Revue du Vrai et du Beau publiceerden begin 1924 naast Cornelis van Eesterens Prix de Rome-ontwerp ook foto's van het Hôtel Particulier. Ongelukkigerwijs hielden beide critici geen rekening met de collectiviteit van het laatste werk en stond onder de foto's alleen de naam van Cornelis van Eesteren. 
 
Uit monde van Nelly, eiste Theo van Doesburg een 'berichtje [...] dat het niet van 1 persoon maar van 3 personen is! Het gaat er toch juist om, om de collectieve arbeid te propageren tegenover al dat individualisme', maar kennelijk vond Cornelis van Eesteren dit zinloos. Bovendien beschouwde Cornelis van Eesteren al zijn ontwerpen tot dan toe, inclusief die die hij in samenwerking met Theo van Doesburg maakte als een samenhangend geheel. Dit blijkt uit zijn brief aan Knud Lønberg Holm van 26 januari 1924, waarin hij schreef: 'Endlich lege ich aus meiner Photosammlung einige Beispiele bei. Das Institut und die Wirtschaft sind die ältesten Beispiele. Das Privathaus ist eine meiner letzten Arbeiten in Paris. Die Universität ist aus meine Berliner Zeit'.
 
Ondertussen zegde Badovici al in november toe een speciaal nummer van Architecture Vivante aan ‘De Stijl’ te willen wijden. Cornelis van Eesteren nam hem trouwens mee naar de lezing, die Berlage aan de Sorbonne hield, en stelde Berlage aan hem voor. Het ‘De Stijl’-nummer van Architecture Vivante zou uiteindelijk echter pas herfst 1925 verschijnen. Ook kreeg Cornelis van Eesteren bezoek van de Nederlandse architect Albert Boeken, die een artikel over de tentoonstelling in het door hem geredigeerde Bouwkundig Weekblad beloofde, wat er uiteindelijk echter nooit van kwam. Op 23 december waren Theo en Nelly weer terug in Parijs. Ze ontmoetten elkaar in Café du Dôme waar ze in slechts enkele uren de verdere propagandacampagne bespraken. Hierdoor en door de slechte kwaliteit van de foto's mislukte deze echter vrijwel geheel.
 
*Cornelis van Eesteren en Frieda Fluck, Ascona, 1927
 
In de tweede helft van februari 1924 stuurde Cornelis van Eesteren het resultaat van zijn propaganda-campagne tot dan toe, twee tijdschriftartikelen, van De Cordis en Evène, op naar Theo van Doesburg. Theo van Doesburg was echter not amused, toen hij alleen de naam van Cornelis van Eesteren onder de reproducties las. Nelly suggereerde een rectificatie, die er echter nooit kwam. Het was het begin van de verwijdering tussen Theo van Doesburg en Cornelis van Eesteren.
 
De Rosenbergontwerpen waren vervolgens te zien op de door de Franse architect Robert Mallet-Stevens georganiseerde tentoonstelling 'L'Architecture et les Arts qui s'y rattachent', die van 22 maart tot en met 30 april plaats vond in de École Spéciale d'Architecture Moderne. Theo van Doesburg was te laat met het inbrengen van clichés voor reproducties in de catalogus, maar kon nog net op tijd een pamflet getiteld 'Vers une Construction Collective (Manifeste V du Groupe "De Stijl")', dat in augustus van dat jaar in De Stijl verscheen, laten drukken.
 
De bedoeling was dat de ontwerpen collectief waren. Ook de in De Stijl gepubliceerde manifesten dragen zowel Theo van Doesburgs als Cornelis van Eesterens naam, op het artikel 'Tot een beeldende architectuur' na, dat door Theo van Doesburg alleen ondertekend is. 'Is alles wat je daar zegt echter wel alleen jouw geestelijk eigendom, aan jouw inventeurschap te danken? Herinner je alle gesprekken maar eens, die we sinds Weimar (het begin van hun kennismaking) hadden en is dit artikel daarvan niet het resumé?', vroeg Cornelis van Eesteren hem op 25 augustus 1924 dan ook.
 
Theo van Doesburg ontkende het en vroeg hem 'waar dan de bewijzen zijn dat je zoo'n geweldige architect was, ook voor je bij mij kwam. Ik zou je kunnen wijzen op [...] je universiteit vóór en ná dat eerste Weimarsche onderhoud'.
 
In december van dat jaar schreef Cornelis van Eesteren zich, na een ontmoeting met de Franse architectuurstudent Louis George Pineau, in aan de École des Hautes Études Urbaines, waar ze samen een cursus stedenbouw volgden bij de praktijkgerichte Léon Jaussely. Deze vormden een belangrijke aanvulling op hetgeen hij eerder tijdens zijn Prix de Rome-reis van Schumacher had geleerd. Bovendien was Jean Brunhes verplichte stof op deze onderwijsinstelling, waarmee Cornelis van Eesteren bekend raakte met het vak sociale geografie.
 
Een maand daarvoor schreef zijn vader hem vanuit Alblasserdam, dat hij van plan was op korte tijd te verhuizen. Cornelis van Eesterens jongere broer, Jacobus Pieter van Eesteren, later directeur van het aannemersbedrijf J.P. van Eesteren, ging trouwen en hij en zijn vrouw gingen in het ouderlijk wonen. Cornelis van Eesterens vader wilde voor zijn gezin elders in Alblasserdam een nieuw huis bouwen, waarvoor hij Cornelis vroeg het ontwerp te leven. Rond kerstmis was hij weer thuis in Alblasserdam en 15 januari 1924 had hij het ontwerp, dat hij het ‘Woonhuis aan een Groote Rivier’ noemde, gereed.
 
Ondertussen waren zijn ouders naar Den Haag verhuisd, waar Cornelis van Eesteren werd verzocht een nieuwe woning in villawijk Zorgvliet te ontwerpen. Geen van deze ontwerpen werden echter uitgevoerd, omdat zijn ouders uiteindelijk besloten een bestaande woning aan de Nieuwe Parklaan te kopen. Wel mocht Cornelis van Eesteren de garage van dit huis ontwerpen, waarvan hij de tekening in juni 1924 vanuit Parijs naar Theo van Doesburg stuurde om in kleur opgelost te worden. De kleuroplossing moest, volgens Cornelis van Eesteren, 'de heele buurt aan het schikken brengen'.
 
Eind april was Cornelis van Eesteren weer in Parijs om de cursus van Jaussely te vervolgen, waarna hij op 2 juli samen met Pineau terug naar Nederland reisde om in Amsterdam het Internationaal Stedenbouwcongres bij te wonen.
 
*Cornelis van Eesteren en Frieda Fluck aan boord van de Patris II tijdens de viering van de 4e CIAM. Snapshot van László Moholy-Nagy 1933

In september 1924 diende hij een ontwerp in als antwoord op de in juli van dat jaar door Bouwbureau Joh.P. Schippers in Den Haag uitgeschreven prijsvraag voor een winkelgalerij met café-restaurant aan de Laan van Meerdervoort, waarvan Theo van Doesburg het kleurontwerp maakte.

Het motto van dit ontwerp, 'simultanéité', wijst op het open karakter van de winkelgalerij, waardoor de gebruiker het gevoel zowel binnen als buiten te zijn moest krijgen. Jan Wils noemde het in een recensie een 'belangrijk ontwerp. Als ruimteconstructie (ook in kleurwerking) [...] zeer geslaagd', maar, voegde hij eraan toe 'De ontwerper heeft zich echter niet de minste voorstelling gemaakt, wat de kosten wel zullen zijn voor de uitvoering van dit ontwerp! En dit is een geweldige fout, die hem onmiddellijk buiten het kader van het programma stelde'.

 
Vrijwel gelijkertijd nam Cornelis van Eesteren deel aan de zogenaamde Rokinprijsvraag. Deze door het gemeentebestuur van Amsterdam uitgeschreven prijsvraag moest een oplossing bieden voor de inrichting van het te dempen gedeelte van het Rokin tussen het Spui en de Dam.  In zijn ontwerp komt veel van de door hem de afgelopen jaren opgedane stedenbouwkundige kennis tot uitdrukking. Hij paste een 'klare functieverdeeling' toe en ontleedde het probleem in 'elementen'. Om die reden gaf hij zijn ontwerp het motto 'Elementair'. Eén zo'n bepalend 'element' was het verkeer.
 

Met de Kalverstraat vlak om de hoek, moest het Rokin een verkeersweg worden. De vrijgekomen ruimte bestemde hij tot 'parking places' voor het toenemend aantal 'owner-drivers' (automobilisten zonder chauffeur) in der stad. Wat stedenschoon betreft ging hij, onder invloed van Fritz Schumacher, uit van een 'normaal-daklijn' (een nader te bepalen maximaal toegestane bouwhoogte). Hierdoor, zo redeneerde Cornelis van Eesteren, zou het toekomstig stadsbeeld gedomineerd worden door horizontale accenten. Om hiertoe tegenwicht te bieden en om de verhouding tussen de hoogte van de bebouwing en de breedte van het nieuwe Rokin te herstellen, projecteerde Cornelis van Eesteren op de hoek van het Rokin met het Spui een 'torenhuis'. In het prijsvraagprogramma werd echter uitdrukkelijk verzocht om rekening te houden met de bestaande bebouwing, waardoor zijn ontwerp al bij de eerste ronde door de jury ter zijde werd gelegd.
 
In 1925 werd op initiatief van de Duitse uitgeverij Wasmuth een prijsvraag voor de reorganisatie van de Berlijnse Unter den Linden uitgeschreven. Het programma luidde: 'wie soll Berlin Hauptstraße Unter den Linden sich im Laufe des 20. Jahrhunderts gestalten?' (Hoe moet de hoofdstraat van Berlijn, Unter den Linden, zich in de loop van de 20e eeuw ontwikkelen?). De bedoeling was dus een zich snel ontwikkelende binnenstad zowel organisatorisch als esthetisch in goede banen te leiden. Cornelis van Eesterens oplossing was zeer radicaal. 'Alles afbreken en nieuw opbouwen', schreef hij op 24 oktober 1925 aan Theo van Doesburg.
 
Alleen de historische barokke en neoclassicistische monumenten (waaronder de Brandenburger Tor, de Neue Wache en het Forum Fredericianum) liet hij als 'kijkstukken' staan. Ook nu ging Cornelis van Eesteren uit van een normaal-daklijn. Aan de rooilijn projecteerde hij lage bebouwing met city-functies als winkels, restaurants en kantoren. Dieper de bouwblokken in plande hij hoogbouw, waardoor de bebouwing een terrasachtige opbouw kreeg.
 
Zijn ontwerp draagt het motto 'Gleichgewicht' (Evenwicht). Net als bij de Rokinprijsvraag voegde hij verticale accenten toe om het geheel esthetisch in evenwicht te brengen. De jury beloonde Cornelis van Eesteren met de eerste prijs en prees de manier waarop hij een geheel nieuw zakencentrum in de historische structuur van Unter den Linden inpaste, maar was tegelijkertijd bang dat zoveel hoogbouw voor grote verkeersproblemen zou zorgen. Jurylid Werner Hegemann maakte naar aanleiding van Cornelis van Eesterens ontwerp een verbeterde versie die hij in het tijdschrift Städtebau publiceerde.
 
Kerst 1925 besloten Cornelis van Eesteren en Pineau deel te nemen aan de prijsvraag voor de reorganisatie van Parijs. Het grote verschil met de Rokin- en Lindenprijsvraag was dat het dankzij Pineau nu wel mogelijk was vooraf uitgebreid stedenbouwkundig onderzoek te doen. Dit onderzoek nam Pineau voor zijn rekening, terwijl Cornelis van Eesteren het resultaat hiervan verwerkte in een stedenbouwkundig ontwerp.
 
*Cornelis van Eesteren in Weimar, 1927, zie ook bovenste afbeelding, waarop Cornelis van Eesteren met studenten in Weimar is te zien.
 
Naar aanleiding van dit succes werd hij in december 1926 door de Duitse architect Ernst Neufert, die hij in 1922 bij Gropius thuis al had leren kennen, uitgenodigd als architectuurdocent aan de Bauhochschule in Weimar (de opvolger van Gropius' Bauhaus), welke functie hij, volgens zijn wens, wist om te zetten in docent voor stedenbouwkunde.
 
Vanaf 1929 (tot 1959) was Cornelis van Eesteren hoofd van de toen opgerichte afdeling Stadsontwikkeling van de dienst der Publieke Werken in in Amsterdam. Samen met Th. K. van Lohuizen werkte hij aan het Algemeen Uitbreidingsplan (A.U.P.) van Amsterdam uit 1934. Dit werd de basis voor de stadsuitbreidingen in de volgende decennia, zoals de Westelijke Tuinsteden en Buitenveldert. 
 
Cornelis van Eesteren presenteerde het plan voor het eerst in 1934. In de jaren daarna volgden enkele aanpassingen. Het was het eerste stedelijke uitbreidingsplan dat zo systematisch en op basis van zoveel onderzoek tot stand kwam.
 
Stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren onderscheidde in het Algemeen Uitbreidingsplan 4 functies in de stad: wonen, werken en ontspanning, met als bindende factor het verkeer. Hij ontwierp woonwijken in de nabijheid van de plaatsen waar gewerkt werd. Daartussen kwamen ontspanningsgebieden met veel groen.
 
Licht, lucht en ruimte. Het Algemeen Uitbreidingsplan (A.U.P.) onderscheidde zich van eerdere plannen doordat ‘licht, lucht en ruimte’ voorop stonden. Er werd gebouwd in ‘stroken’ – flatblokken met lange gaanderijen – voorzien van parken en sportterreinen. Het was voor het eerst dat ruimte voor ontspanning en recreatie zo’n prominente plek kreeg in een stedenbouwkundig ontwerp.
 
* Het Algemeen Uitbreidings Plan (A.U.P.) van Amsterdam, zoals het door Cornelis van Eesteren was ontworpen. 1935. Nummer: 010095000002
 
Na de Tweede Wereldoorlog breidde Amsterdam verder uit volgens het Algemeen Uitbreidingsplan. Ten westen van het oude stadscentrum werden 5 zogenaamde tuinsteden – buurten temidden van het groen – aangelegd: Slotermeer, Slotervaart, Overtoomse Veld, Geuzenveld en Osdorp. Centraal in de nieuwe wijken kwam een kunstmatig meer, de Sloterplas.
 
Cornelis van Eesteren was als stedenbouwkundige verantwoordelijk voor het aanzien van grote delen van Amsterdam.
 
Hij was een grote aanhanger van het zogenaamde 'Nieuwe Bouwen', dat was een beweging die vooral de functionaliteit van gebouwen benadrukte en ernaar streefde met allerlei snufjes uit de moderne technologie bruikbare en gezonde woningen, scholen en werkplaatsen te bouwen.
 
Cornelis van Eesteren was de geestelijk vader van het idee van de functionele stad met strikte scheiding van functies zoals wonen, verkeer, werk, recreatie en natuur (zie ook het Nieuwe Bouwen). In het A.U.P. is dit verder  uitgewerkt.
 
Ook het vingerstadmodel met stedelijke lobben, gescheiden door groene wiggen is een idee van Cornelis van Eesteren dat in Amsterdam terug te vinden is. Het uitgraven van de Sloterplas als het blauw-groene hart van de nieuwe tuinsteden was ook deel van de nieuwe opzet van de westelijke stadsuitbreidingen.
 
In Bos en Lommer werd in de jaren '30 en '40 geëxperimenteerd met strokenbouw. Slotermeer was de eerste tuinstad die volgens de plannen van het A.U.P. vanaf 1951 werd gerealiseerd. Daarna volgden de andere tuinsteden in de jaren '50 en '60.
 
Voorts was hij van november 1930 tot 1947 voorzitter van de CIAM (Congrès Internationaux d'Architecture Moderne) en van 1948 tot 1957 buitengewoon hoogleraar stedenbouwkunde aan de Technische Hogeschool Delft. Tegelijkertijd was hij gastdocent aan de Universiteit van Santiago in de Chileense hoofdstad Santiago.
 
In 1959 werd hij in Amsterdam opgevolgd door Jakoba Mulder. Na de Tweede Wereldoorlog stond zijn loopbaan vooral in het teken van de ruimtelijke ordening van de toen drooggelegde Zuidelijke IJsselmeerpolders. Belangrijk onderdeel hiervan was het plan voor Lelystad, het nieuwe centrum van de polders (1959-1964).
 
*Cornelis van Eesteren en zijn opvolgster in Amsterdam: Jacoba Mulder.  
 
Opmerkelijk is dat Cornelis van Eesteren zijn idee van functiescheiding ook op zijn eigen woonomgeving toepaste.
 
Zo waren de muren van zijn woonhuis in Amsterdam, dat onderdeel uitmaakte van het A.U.P., op een aan hem in de jaren dertig geschonken Mondriaan en enkele ontwerptekeningen na, geheel ongedecoreerd.
 
Hij zag zijn woonhuis op de eerste plaats als werk- en ontmoetingsplaats en niet als 'tentoonstellingsruimte'.
 
Bronnen:
Het van Eesterenmuseum.
Het UitBuro.
Wikipedia.
 
Foto's bewerkt met Fotosketcher.
Hartelijk dank aan de originele makers van de foto's en video's.
 
Zie hieronder voor een filmpje over het werk van Cornelis van Eesteren:
 
 
 
N.B.: Van 6 oktober 2013 t/m 11 januari 2014 is in het Van Eesterenmuseum in Amsterdam de tentoonstelling 'De Jonge van Eesteren' te zien.
 
Deze 'dubbel' tentoonstelling is ter ere van de heropening van Het Huis van Zessen in Alblasserdam en is tot stand gekomen in samenwerking met de Van Eesteren-Fluck & Van Lohuizen Stichting. 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Andere columns